BESLUIT GEDRAGSTOEZICHT FINANCIELE ONDERNEMINGEN PDF

Gelet op de artikelen , tweede lid, , Het dagelijks beleid van de houder van een ontheffing als bedoeld in artikel , vierde lid, van de wet voor het als tussenpersoon verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een publiekslening, wordt bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de houder. Indien binnen de houder van de ontheffing een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen die geschikt zijn voor de uitoefening van dit toezicht. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder publiekslening verstaan: het anders dan in de uitoefening van het bedrijf van bank en anders dan door het aanbieden van effecten aantrekken of ter beschikking krijgen van opvorderbare gelden van het publiek voor een specifiek bestedingsdoel dat voorafgaand aan het publiek is medegedeeld. De houder van een ontheffing, bedoeld in artikel 2a:. Het beleid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a:.

Author:Gardarn Doujinn
Country:Ghana
Language:English (Spanish)
Genre:Love
Published (Last):9 January 2019
Pages:471
PDF File Size:9.51 Mb
ePub File Size:9.18 Mb
ISBN:147-6-84023-807-1
Downloads:47251
Price:Free* [*Free Regsitration Required]
Uploader:Nikojora



Gelet op de artikelen , tweede lid, , Het dagelijks beleid van de houder van een ontheffing als bedoeld in artikel , vierde lid, van de wet voor het als tussenpersoon verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een publiekslening, wordt bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de houder.

Indien binnen de houder van de ontheffing een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen die geschikt zijn voor de uitoefening van dit toezicht. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder publiekslening verstaan: het anders dan in de uitoefening van het bedrijf van bank en anders dan door het aanbieden van effecten aantrekken of ter beschikking krijgen van opvorderbare gelden van het publiek voor een specifiek bestedingsdoel dat voorafgaand aan het publiek is medegedeeld.

De houder van een ontheffing, bedoeld in artikel 2a:. Het beleid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a:. Als onderdeel van de beheerste en integere uitoefening van zijn bedrijf, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stelt de houder:. Als onderdeel van de adequate behandeling van klachten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, beschikt de houder over een interne klachtenprocedure, gericht op een spoedige en zorgvuldige behandeling van klachten.

De aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 2a toont aan dat zal worden voldaan aan de artikelen 2a en 2b. De houder van een diploma of erkenning als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, is uitsluitend bevoegd werkzaamheden als bedoeld in artikel 7 te verrichten, indien hij in elke PE-periode, niet zijnde de PE-periode waarin het diploma of de erkenning is behaald, met goed gevolg een examen aflegt in het kader van permanente educatie.

In afwijking van het eerste lid behoeft de houder van een diploma of erkenning die beschikt over een door Onze Minister afgegeven certificaat waaruit blijkt dat hij gedurende een bepaalde PE-periode vakinhoudelijk betrokken is geweest bij de ontwikkeling van examenvragen met betrekking tot de voor zijn beroepskwalificatie relevante eindtermen en toetstermen ten behoeve van permanente educatie, in die PE-periode geen examen in het kader van permanente educatie af te leggen.

Artikel 11d, tweede lid, vervalt onder vernummering van het derde lid tot tweede lid. In artikel 11e wordt onder vernummering van het derde lid tot vierde lid een lid ingevoegd, luidende:. Het tweede lid is niet van toepassing indien de examinering van de examens van de modules plaatsvindt door middel van een EVC-procedure. De artikelen 58c, zesde lid, en 58d, zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

In het tweede lid wordt onder verlettering van de onderdelen b tot en met e tot c tot en met f een onderdeel ingevoegd, luidende:. Een verzekeraar ontvangt, rechtstreeks of middellijk, geen beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, van een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe voor het aanbieden van een levensverzekering waarvan de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe.

Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming verhandelbaar zijn en niet op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.

Onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel e wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder publieksinvestering verstaan: het anders dan in de uitoefening van het bedrijf van bank aantrekken of ter beschikking krijgen van opvorderbare gelden van het publiek voor een specifiek bestedingsdoel dat voorafgaand aan het publiek is medegedeeld, waarbij:. In subonderdeel 1. In subonderdeel 2.

In de opsomming van artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Algemeen deel vervalt:. Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel , tweede of derde lid, van de Wet op het financieel toezicht is beboetbaar met categorie 3. Het Besluit reikwijdtebepalingen Wft wordt gewijzigd als volgt:. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G. Twee van deze knelpunten zien op het BGfo en worden in dit wijzigingsbesluit aangepakt. Ook wordt het financieren van terrorisme opgenomen als relevant antecedent voor de betrouwbaarheidstoetsing. Daarnaast bevat dit wijzigingsbesluit een aantal wijzigingen dat betrekking heeft op bestuurlijke boetes.

Tot slot bevat dit besluit een aantal wijzigingen met betrekking tot Caribisch Nederland. Crowdfunding — een vorm van financiering, waarbij de onderneming al dan niet met behulp van een bemiddelend platform rechtstreeks financiering verkrijgt van het publiek — is een waardevolle toevoeging aan de mogelijkheden voor bijvoorbeeld het midden- en kleinbedrijf om financiering te verkrijgen. De relatief laagdrempelige toegang maakt dat ondernemers via crowdfunding investeerders kunnen bereiken die bij meer traditionele financieringsvormen minder eenvoudig bereikt kunnen worden.

Met deze transitie van opstartfase naar groeifase groeit ook het belang van goed en passend toezicht op de sector. Dat betekent enerzijds dat wet- en regelgeving geen onnodige belemmering mogen vormen voor de activiteiten die crowdfundingplatformen ontplooien, terwijl anderzijds de belangen van geldvragers ondernemingen en geldgevers het publiek ook voldoende beschermd moeten worden.

Wet- en regelgeving dienen derhalve bij te dragen aan een verantwoorde groei van crowdfunding. Tegen die achtergrond is, mede naar aanleiding van vragen van de Tweede Kamerleden Lucas en De Vries, onderzocht of het huidige toezichtsysteem beter kon worden toegesneden op de snelle groei van crowdfunding.

De Tweede Kamer is eind ingelicht over de resultaten van dit onderzoek dat door de AFM is uitgevoerd. In de kabinetsreactie is toegezegd deze knelpunten nader te bestuderen en waar nodig weg te nemen. Voor dit wijzigingsbesluit zijn twee knelpunten van belang, namelijk het provisieverbod voor beleggingsondernemingen en het ontheffingsregime voor bemiddelen bij het verkrijgen van opvorderbare gelden. Crowdfundingplatformen kunnen op verschillende manieren hun activiteiten vormgegeven.

Wanneer de gevraagde financiering bijvoorbeeld als obligatielening wordt vormgegeven dan voert het platform bemiddelende werkzaamheden uit ten aanzien van een financieel instrument in dit voorbeeld een effect en zal het platform zeer waarschijnlijk als beleggingsonderneming kwalificeren.

Afhankelijk van de precieze dienstverlening van het platform kan het provisieverbod voor beleggingsondernemingen van toepassing zijn artikel a van het BGfo. Dit brengt met zich mee dat een platform dat als beleggingsonderneming kwalificeert geen vergoeding mag ontvangen van de geldvrager. De vergoeding die het platform bij een succesvol project van de geldvrager ontvangt, is voor crowdfundingplatformen in het algemeen echter de belangrijkste bron van inkomsten.

Uiteraard kunnen platformen een vergoeding van de geldgevers vragen. Bij crowdfundingplatformen die niet als beleggingsonderneming kwalificeren kan echter wel een vergoeding van de geldvrager worden gevraagd, aangezien voor dergelijke platformen het provisieverbod van artikel a van het BGfo niet geldt. Vanwege concurrentieoverwegingen zal er daarom een limiet zitten aan de hoogte van de vergoeding die het platform dat als beleggingsonderneming kwalificeert aan geldgevers in rekening kan brengen.

Het is daarom zeer de vraag of een platform dat kwalificeert als beleggingsonderneming op die manier een duurzaam verdienmodel kan ontwikkelen. Het provisieverbod voor beleggingsondernemingen is daarmee potentieel een belangrijke belemmering voor de ontwikkeling van deze vorm van crowdfunding.

Daarmee wordt ook de keuze van geldvragers en geldgevers voor bepaalde vormen van financiering onnodig beperkt. De meest geschikte vorm van financiering — zij het een onderhandse lening, een obligatielening of een participatie in het eigen vermogen — hangt af van de omstandigheden van het geval. Doordat crowdfunding in de vorm van effecten onnodig hinder zou kunnen ondervinden van het provisieverbod, kiezen geldgevers en geldvragers wellicht eerder voor een andere vorm van crowdfunding en daarmee een vorm van financiering die, gegeven de specifieke omstandigheden, niet de meest geschikte hoeft te zijn.

Met een uitzondering op het provisieverbod voor crowdfunding wordt de keuze voor een bepaalde vorm van crowdfunding minder afhankelijk van het specifieke regelgevend kader dat op de verschillende vormen van crowdfunding van toepassing is.

Zoals eerder vermeld is de toepassing van het provisieverbod voor beleggingsondernemingen afhankelijk van de precieze dienstverlening van het platform. In het eerder aangehaalde onderzoeksrapport van de AFM wordt als optie genoemd om te onderzoeken of de activiteiten van platformen zodanig te interpreteren zijn dat deze niet kwalificeren als beleggingsdienst waarop artikel a van het BGfo van toepassing is.

Die uitzonderingen bieden voor crowdfunding echter geen soelaas. De onderdelen a en d tot en met e zien op specifieke, niet aan crowdfunding gerelateerde, situaties.

Onderdeel b zondert provisies die noodzakelijk zijn voor het verlenen van de dienst uit van het provisieverbod. Het is de vraag of het ontvangen van een vergoeding van de geldvrager gekwalificeerd kan worden als noodzakelijk voor de dienstverlening.

Het doel van het provisieverbod is de belegger te beschermen tegen de prikkels die van provisies van derden uitgaan en ertoe kunnen leiden dat beleggingsondernemingen niet in het belang van de klant handelen. Het desbetreffende instrument hoeft echter niet noodzakelijkerwijs de beste keuze voor de belegger te zijn.

Meer indirect kan een beleggingsonderneming ook sturen door een voorselectie van producten te maken waar de beleggingonderneming de hoogste provisie voor zou ontvangen.

Hoewel dergelijke prikkels ook bij crowdfunding een rol kunnen spelen, zorgen de specifieke kenmerken van crowdfunding er voor dat deze prikkels veel minder sterk zijn. Bovendien zal de beoogde uitzondering op het provisieverbod, zoals hieronder nader wordt beschreven, niet van toepassing zijn indien het platform adviseert ten aanzien van de effecten die via het platform worden aangeboden. Mocht een platform toch willen adviseren over effecten die via het platform worden aangeboden, dan kan geen gebruik worden gemaakt van de uitzondering en blijft het provisieverbod van toepassing op de dienstverlening van het platform.

Een crowdfundingplatform zal wel indirect, bijvoorbeeld via de voorselectie van projecten waarvoor hij de hoogste provisie ontvangt, sturend op kunnen treden in de zin dat een belegger wellicht naar een project wordt geleid dat niet noodzakelijkerwijs het beste bij de voorkeuren van die belegger past. De projecten waarvoor via crowdfunding financiering gezocht wordt, verschillen in de praktijk echter sterk van elkaar. Dit brengt met zich mee dat verschillende projecten ook een verschillend publiek kunnen hebben.

Zodoende neemt de kans op succesvolle afronding van projecten toe en verdient het platform extra aan een project; een deel van de inkomsten van een platform komen uit een zogenaamde succesvergoeding. Dit principe zal daarom het mogelijke sturende effect mitigeren dat provisies van de geldvrager kunnen hebben op het platform. Daar komt bij dat de vergoeding die het platform van een geldvrager ontvangt, zoals hieronder nader wordt beschreven, geen afbreuk mag doen aan de verplichting om zich in te zetten voor de belangen van de klant geldgever en dient het platform transparant te zijn over de vergoeding.

Gezien de beperkte prikkels voor platformen om sturend op te treden in de selectie van projecten, de wens om de markt duidelijkheid te bieden en de ontwikkeling van crowdfunding als alternatieve financieringsvorm niet onnodig te belemmeren, wordt een uitzondering op het provisieverbod voor crowdfundingplatformen daarom gerechtvaardigd geacht.

Dat neemt echter niet de noodzaak weg om de uitzondering zo beperkt mogelijk te houden, zodat oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk wordt voorkomen. In dat kader worden enkele voorwaarden gesteld aan de uitzondering. Zoals hierboven naar voren kwam, verlenen crowdfundingplatformen typisch gezien deze beleggingsdienst. Ten tweede kan de dienstverlening alleen zien op aandelen en obligaties of daarmee vergelijkbare waardebewijzen of schuldinstrumenten, rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe daaronder niet inbegrepen, die zijn uitgegeven in het kader van een publieksinvestering.

Bij crowdfunding wordt namelijk geld opgehaald voor een bepaald doel, bijvoorbeeld startkapitaal, openen nieuw filiaal etc. Dit doel wordt ook kenbaar gemaakt, omdat het publiek anders geen enkele inschatting zou kunnen maken van de haalbaarheid van het project. Om het onderscheid tussen crowdfundingplatformen en andere typen beleggingsondernemingen scherper te krijgen, wordt het bestedingsdoel nader ingekaderd.

De nadere inkadering houdt in dat wanneer de opvorderbare gelden worden aangetrokken door het grootbedrijf de gelden niet gebruikt worden voor lopende bedrijfsactiviteiten, zoals het voldoen van lopende loon verplichtingen of herfinanciering.

Het bestedingsdoel moet meer concreet worden omschreven, zoals het openen van een nieuw filiaal of de aanschaf van een nieuwe productielijn.

Voor het midden- en kleinbedrijf geldt deze additionele voorwaarde niet. Het grootbedrijf zal in het algemeen toegang hebben tot meerdere financieringskanalen. De toegang tot crowdfunding voor lopende bedrijfsactiviteiten is daardoor minder noodzakelijk voor het grootbedrijf. Juist voor het midden- en kleinbedrijf is een zo breed mogelijke toegang tot crowdfunding wel belangrijk, omdat zij doorgaans over minder andere financieringskanalen beschikken.

De nadere inkadering van het bestedingsdoel voorkomt derhalve sturing door beleggingsonderneming bij meer gangbare beleggingsdienstverlening, terwijl voor het midden- en kleinbedrijf brede toegang tot crowdfunding gewaarborgd wordt. Om sturing bij gangbare beleggingsdienstverlening te voorkomen is ook dienstverlening ten aanzien van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe uitgesloten. Het verschil tussen beide vormen van publieksfinanciering is gelegen in de manier waarop de opvorderbare gelden van het publiek worden aangetrokken.

Bij de publieksinvestering wordt dat gedaan via het uitgeven van effecten zoals aandelen of obligaties, waarbij de geldvrager in principe ook een prospectus moet opstellen. Bij de publiekslening worden de gelden aangetrokken door middel van een onderhandse lening en vindt er geen aanbod van effecten plaats. Bij een onderhandse lening hoeft de geldvrager geen prospectus op te stellen. Het derde vereiste is dat de betrokken effecten worden aangeboden door de onderneming zelf.

Door deze eis wordt bewerkstelligd dat secundaire handel in eenmaal uitgegeven effecten niet onder de uitzondering kan vallen. In dat geval staat de bemiddelende rol tussen geldgever en geldvrager niet meer centraal en is het derhalve niet langer nodig die rol te ondersteunen door middel van een uitzondering op het provisieverbod. Verder geldt dat het platform de algemene provisieregels voor beleggingsondernemingen in acht moet nemen.

Dit betekent dat beleggingsondernemingen provisies door of aan een derde voor deze diensten duidelijk kenbaar moeten maken richting de klant. Daarnaast moeten deze provisies de kwaliteit van de desbetreffende dienst ten goede komen en mogen deze provisies geen afbreuk mogen doen aan de verplichting van de beleggingsonderneming om zich in te zetten voor de belangen van de klant.

Zoals hierboven reeds is aangegeven, is de uitzondering ingegeven door de wens om de onduidelijkheid met betrekking tot het provisieverbod weg te nemen.

COBIT APOSTILA PDF

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Onder vernummering van het derde tot en met vierde lid tot vierde tot en met vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:. Een aanbieder van hypothecair krediet hanteert bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd dezelfde voorwaarden als bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet niet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd. De aanbieder van hypothecair krediet verstrekt aan de consument die voornemens is de debetrentevoet van een overeenkomst inzake hypothecair krediet voorafgaande aan het aflopen van de rentevasteperiode te wijzigen een berekening van de aan de aanbieder te betalen vergoeding voor het wijzigen van die debetrentevoet en de bij de berekening gehanteerde hypothesen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

SANKARANARAYANA TO ENGLISH DICTIONARY PDF

The Netherlands (and EU regulation)

Gelet op richtlijn nr. FM M ;. Artikel , eerste lid, onderdeel f, van de wet is van toepassing indien:. Indien binnen de houder van een ontheffing een orgaan is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de houder van een ontheffing wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. De houder meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen; en. Personen die over een in tabel 2 genoemd diploma beschikken, zijn tevens vakbekwaam te adviseren over het daarbij in de tabel vermelde onderwerp, indien de advisering over dat onderwerp gecombineerd wordt met advisering over het onderwerp waarop het diploma betrekking heeft. Betalingsbeschermers, opstal- of inboedel- verzekeringen indien gecombineerd met hypothecair krediet.

IRF634A DATASHEET PDF

EUR-Lex Access to European Union law

.

INTRODUCTION TO SEDIMENTOLOGY BY SENGUPTA PDF

Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

.

Related Articles